← Terug naar blog
Kansrekening

Kansrekening voor het eindexamen — uitleg en voorbeelden

12 februari 2025

Kansrekening is een van de grotere onderwerpen op het eindexamen wiskunde A (zowel HAVO als VWO). Het onderwerp klinkt abstract maar is in de praktijk heel systematisch: als je de regels kent en de opgave goed leest, zijn de meeste vragen goed te maken. Dit artikel legt alle examenrelevante onderdelen uit met concrete voorbeelden.

De basis: wat is kans?

De kans op een uitkomst AA schrijf je als P(A)P(A). Kansen liggen altijd tussen 0 en 1:

0P(A)10 \leq P(A) \leq 1

De kans op het complement (alles behalve AA) is:

P(A)=1P(A)P(\overline{A}) = 1 - P(A)

Voorbeeld: De kans dat het morgen regent is 0,3. Dan is de kans dat het niet regent 10,3=0,71 - 0{,}3 = 0{,}7.

De complementregel is bijzonder handig als de vraag "minstens één" of "niet" bevat. Het is dan makkelijker om het complement te berekenen en dat van 1 af te trekken.

Samengestelde kansen

Voor twee gebeurtenissen AA en BB:

Optellingsregel:
P(AB)=P(A)+P(B)P(AB)P(A \cup B) = P(A) + P(B) - P(A \cap B)

Als AA en BB onverenigbaar zijn (ze kunnen niet tegelijk plaatsvinden):
P(AB)=P(A)+P(B)P(A \cup B) = P(A) + P(B)

Vermenigvuldigingsregel (onafhankelijke gebeurtenissen):
P(AB)=P(A)P(B)P(A \cap B) = P(A) \cdot P(B)

Kansrekenen met bomen (kansdiagrammen)

Een kansdiagram (ook wel kansenboom) is ideaal voor opgaven met meerdere stappen of als de kansen afhankelijk zijn van een eerdere uitkomst.

Voorbeeld:
Een zak bevat 4 rode en 6 blauwe knikkers. Je trekt er twee, zonder terugleggen. Hoe groot is de kans op twee rode knikkers?

Eerste trek:
P(rood)=410=0,4P(\text{rood}) = \frac{4}{10} = 0{,}4

Tweede trek (er zijn nu 3 rode en 9 knikkers totaal over):
P(roodeerst rood)=39=13P(\text{rood} \mid \text{eerst rood}) = \frac{3}{9} = \frac{1}{3}

P(twee rood)=41039=1290=2150,133P(\text{twee rood}) = \frac{4}{10} \cdot \frac{3}{9} = \frac{12}{90} = \frac{2}{15} \approx 0{,}133

Met vs. zonder terugleggen

Dit is een van de meestgemaakte fouten op het examen. Let goed op of er "zonder terugleggen" staat:

  • Met terugleggen: de kansen blijven bij elke trek hetzelfde
  • Zonder terugleggen: na elke trek veranderen de kansen (minder knikkers in de zak)

Voorwaardelijke kans

De voorwaardelijke kans P(BA)P(B \mid A) is de kans op BB, gegeven dat AA al heeft plaatsgevonden.

P(BA)=P(AB)P(A)P(B \mid A) = \frac{P(A \cap B)}{P(A)}

Voorbeeld: In een klas zijn 60% van de leerlingen meisjes. Van de meisjes doet 40% aan sport, van de jongens 70%. Een willekeurige leerling doet aan sport. Wat is de kans dat het een meisje is?

  • P(meisje en sport)=0,60,4=0,24P(\text{meisje en sport}) = 0{,}6 \cdot 0{,}4 = 0{,}24
  • P(jongen en sport)=0,40,7=0,28P(\text{jongen en sport}) = 0{,}4 \cdot 0{,}7 = 0{,}28
  • P(sport)=0,24+0,28=0,52P(\text{sport}) = 0{,}24 + 0{,}28 = 0{,}52

P(meisjesport)=0,240,520,46P(\text{meisje} \mid \text{sport}) = \frac{0{,}24}{0{,}52} \approx 0{,}46

Tip: bij dit soort opgaven helpt een tabel of kansenboom om het overzicht te bewaren.

De binomiale verdeling

De binomiale verdeling gebruik je bij een reeks herhaalde experimenten waarbij:

  • elk experiment precies twee uitkomsten heeft (succes of mislukking)
  • de kans op succes bij elke herhaling gelijk is (pp)
  • de experimenten onafhankelijk zijn

Als je nn keer herhaalt met succesk kans pp, dan is het aantal successen XX binomiaal verdeeld: XB(n,p)X \sim B(n, p).

Formule voor kans op precies kk successen:

P(X=k)=(nk)pk(1p)nkP(X = k) = \binom{n}{k} p^k (1-p)^{n-k}

Hierin is (nk)=n!k!(nk)!\binom{n}{k} = \dfrac{n!}{k!(n-k)!} de binomiaalcoëfficiënt.

Voorbeeld:
Een meerkeuzevraag heeft 4 opties. Een leerling gokt alle 10 vragen. Kans op succes per vraag: p=0,25p = 0{,}25. Kans op precies 4 goede antwoorden?

P(X=4)=(104)(0,25)4(0,75)6=2100,003910,177980,146P(X = 4) = \binom{10}{4}(0{,}25)^4(0{,}75)^6 = 210 \cdot 0{,}00391 \cdot 0{,}17798 \approx 0{,}146

Cumulatieve kansen met de grafische rekenmachine

Op het examen wordt ook gevraagd naar kansen als P(Xk)P(X \leq k) of P(Xk)P(X \geq k).

  • Op de TI-84: gebruik binomcdf(n, p, k) voor P(Xk)P(X \leq k)
  • Op de CASIO: BinomialCD

Verwachtingswaarde en standaardafwijking:
μ=npσ=np(1p)\mu = np \qquad \sigma = \sqrt{np(1-p)}

De normale verdeling

De normale verdeling is een continue verdeling met de typische klokvorm. Ze wordt gekarakteriseerd door het gemiddelde μ\mu en de standaardafwijking σ\sigma:

XN(μ,σ)X \sim N(\mu, \sigma)

Op het eindexamen gebruik je de normale verdeling voor:

  • Kansen berekenen met de grafische rekenmachine
  • Grenzen bepalen voor een gegeven kans
  • Vraagstukken over lengten, gewichten, tijden, etc.

Voorbeeld:
De lengte van 17-jarige jongens is normaal verdeeld met μ=180\mu = 180 cm en σ=8\sigma = 8 cm. Kans dat een jongen langer is dan 190 cm?

P(X>190)=1P(X190)10,894=0,106P(X > 190) = 1 - P(X \leq 190) \approx 1 - 0{,}894 = 0{,}106

Dus ongeveer 10,6%.

De z-waarde

z=xμσz = \frac{x - \mu}{\sigma}

Dit transformeert elke normale verdeling naar de standaardnormale verdeling N(0,1)N(0, 1).

HAVO vs. VWO: waar zit het verschil?

Onderdeel HAVO VWO
Basisregels kans Ja Ja
Kansdiagrammen Ja Ja
Binomiale verdeling Ja Ja, inclusiever
Normale verdeling Ja (GR-gebruik) Ja + analytischer
Voorwaardelijke kansen Basisniveau Dieper, formule gebruiken

Op VWO worden opgaven complexer: je moet vaker zelf modelleren, redeneren waarom een verdeling van toepassing is, en soms combinaties van verdelingen toepassen.

Veelgemaakte fouten bij kansrekening

  1. P(AB)=P(A)+P(B)P(A \cup B) = P(A) + P(B) gebruiken als AA en BB niet onverenigbaar zijn
  2. Met of zonder terugleggen verwarren — bij zonder terugleggen veranderen de kansen
  3. Binomiaal toepassen als de experimenten afhankelijk zijn — gebruik dan een kansenboom
  4. Rondingsfouten — gebruik tussendoor zo min mogelijk afgeronde waarden
  5. Vergeten dat voorwaardelijke kans \neq gewone kans: P(AB)P(A)P(A \mid B) \neq P(A)

Oefentips

Kansrekening vraagt om herkenning van het type opgave. Train jezelf door per opgave altijd eerst te beslissen:

  • Gaat het om onafhankelijke of afhankelijke kansen?
  • Heb ik een rijtje herhaalde experimenten? → binomiaal
  • Gaat het over een continu gemeten grootheid? → normaal

Bekijk ook onze andere artikelen: differentiaalrekening voor VWO of de algemene eindexamentips wiskunde.

Oefen nu met echte eindexamenvragen

Maak een foto van je uitwerking en ontvang directe AI-nakijking op het officiële puntenschema. Gratis proberen met 10 nakijkingen.

    Kansrekening voor het eindexamen — uitleg en voorbeelden | MijnExamenCoach