Wind heeft een richting en een snelheid. Daarom kan wind als een vector worden weergegeven. In de figuren bij deze opgave wordt een wind met een snelheid van 1 m/s weergegeven als een vector van 1 cm.
Op een warme zomerdag worden aan de kust de windrichting en de windsnelheid door twee processen bepaald:
- de luchtstroming van een gebied met hoge luchtdruk naar een gebied met lage luchtdruk: dit is wind .
- de luchtstroming die ontstaat doordat de temperatuur boven zee anders is dan boven land: dit is wind . We gaan er in deze opgave van uit dat deze wind loodrecht op de kustlijn staat en richting het land waait.
In figuur 1 is een voorbeeldsituatie getekend waarbij wind in westelijke richting waait.
De resulterende wind is de wind zoals die wordt ervaren door iemand die zich aan de kust in punt bevindt. Er geldt: .
Op de uitwerkbijlage is een deel van een kust getekend. Er geldt:
- De wind waait met een snelheid van 4 m/s landinwaarts.
- De wind waait met een snelheid van 6 m/s.
- De resulterende wind waait evenwijdig met de kustlijn.
Op basis van bovenstaande drie gegevens zijn er twee mogelijkheden voor .

Teken op de uitwerkbijlage deze twee vectoren . Neem daarbij punt als beginpunt van . Licht je aanpak toe.
Maak je uitwerking op papier
Upload daarna een foto voor AI-beoordeling
Jouw persoonlijke AI tutor
Laat mij je helpen deze vraag beter te begrijpen
Docent
Stelt je vragen, geeft geen antwoorden