Vraag 8Hoogwater
5 punten

De hoeveelheid water die door een rivier wordt afgevoerd, varieert van moment tot moment. De hoeveelheid water die de rivier maximaal kan afvoeren, noemen we de capaciteit van de rivier. Om te kunnen inschatten hoe vaak een overstroming plaatsvindt, gebruiken we het volgende model:
C=abln ⁣(ln ⁣(TT1))met T>1(formule 1)C = a - b \cdot \ln\!\left(\ln\!\left(\dfrac{T}{T-1}\right)\right) \quad \text{met } T > 1 \qquad \text{(formule 1)}
Hierin is CC de capaciteit in m³/s en TT de herhalingstijd. Er geldt altijd: a>0a > 0 en b>0b > 0.

Voor de afgeleide geldt:
dCdT=bT(T1)ln ⁣(TT1)met T>1(formule 2)\dfrac{dC}{dT} = \dfrac{b}{T \cdot (T-1) \cdot \ln\!\left(\dfrac{T}{T-1}\right)} \quad \text{met } T > 1 \qquad \text{(formule 2)}

Voor elke rivier geldt: hoe groter de herhalingstijd, des te groter is de capaciteit. De grafiek van CC zou dus voor elke waarde van aa en bb (met a>0a > 0 en b>0b > 0) stijgend moeten zijn.

Bewijs met behulp van formule 2 dat de grafiek van CC inderdaad stijgend is voor elke waarde van aa en bb (met a>0a > 0 en b>0b > 0).

Maak je uitwerking op papier

Upload daarna een foto voor AI-beoordeling